|
Het plan dat Lely rond 1892 maakte (zie: het plan van Lely ) vormt de basis voor de uiteindelijk gerealiseerde Zuiderzeewerken (zie: het aangepaste plan ). Het plan lijkt slechts op details te zijn aangepast. Deze details blijken bij nadere bestudering echter het verschil te maken tussen wel of niet kunnen spuien in de toekomst.
De ligging van de Afsluitdijk bepaalt in belangrijke mate de grootte van de getijslag (het verschil tussen eb en vloed) in de Westelijke Waddenzee, en daarmee op de mogelijkheden om te kunnen spuien bij laagwater.
Een commissie onder leiding van nobelprijswinnaar Lorentz berekende vóór de aanleg van de Afsluitdijk dat de getijslag ten noorden van de Afsluitdijk tot drie keer zo groot zou worden als het plan van Lely zou worden uitgevoerd. De hiermee samenhangende getijstromen zouden tijdens de aanleg van de Afsluitdijk voor problemen kunnen zorgen. Mede om die reden werd besloten om het plan van Lely aan te passen en de Afsluitdijk noordelijker aan te leggen. Ook de gerealiseerde Afsluitdijk versterkte het getij. Het verschil tussen eb en vloed werd ongeveer twee keer zo groot als voor de afsluiting (zie: De Zuiderzee ).
De verschuiving van de Afsluitdijk was destijds gezien het bovenstaande en de bodemgesteldheid ter plaatse een logische keuze. Toch laten de berekeningen van Lorentz ook zien dat als het plan van Lely in ongewijzigde vorm was uitgevoerd, de spuicapaciteit in de komende 100 jaar geen probleem zou zijn geworden. De grotere getijslag in het oorspronkelijke plan levert immers 50 tot 75 cm extra laagwater op. De maatregelen ter vergroting van de spuicapaciteit zouden dan ook pas nodig zijn bij een zeespiegelstijging van die orde van grootte.
De grootte van de getijslag wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin getijgolven resoneren (zie: Resonerende getijgolven en het filmpje: Zo werkt resonantie)
'Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst' staat te lezen op de plek waar de Afsluitdijk werd gesloten.
|